Intervention
Adorno tegen het programma van het betere leven
Een als lezersbrief ingestuurde maar niet gepubliceerde tekst. De tekst behandelt een verschuiving in de lezing van Adorno en de omzetting van kritiek in een programma.
Context
Deze tekst werd ingestuurd als lezersreactie op een editoriaal van Christophe Van Gerrewey in De Witte Raaf. In correspondentie gaf de hoofdredacteur aan dat lezersreacties welkom zijn, en erkende hij een belangrijke denkfout in het editoriaal. De reactie werd desondanks niet opgenomen.
Over de neutralisering van negatieve dialectiek
Het januarinummer van De Witte Raaf werd door hoofdredacteur Christophe Van Gerrewey gepresenteerd onder de titel ‘Wat heet denken?’. Van de teksten in deze editie wordt in het editoriaal gesteld dat ze de uitdaging aangaan ‘om beter te denken, vanuit de overtuiging dat alleen zo een beter leven binnen bereik komt’.
Bij een overtreffende trap hoort doorgaans een referentiepunt, maar dit wordt niet expliciet door de editorialist vernoemd. De lezer kan veronderstellen dat het thema zich plaatst tegen de achtergrond van de malaise waarin de westerse democratieën zich sinds enkele decennia bevinden. Vervolgens rijst de vraag of er in de afgelopen decennia ‘niet goed genoeg is gedacht’.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is een enorme hoeveelheid denkwerk verricht dat expliciet gericht was op maatschappelijke transformatie. Op socio-politiek en institutioneel vlak valt te denken aan de oprichting van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, of de voortschrijdende Europese integratie. Theoretische interventies zoals het postkoloniale denken van Frantz Fanon en Edward Said, de structurele kritiek op het eurocentrisme, of feministische en genderkritische analyses bij auteurs als Simone de Beauvoir en Judith Butler, hebben ingegrepen in bestaande kaders van representatie en macht. Zulke denkbewegingen hebben niet mechanisch, maar via complexe institutionele, sociale en politieke processen bijgedragen aan verschuivingen die voor velen reële verbeteringen van levensomstandigheden hebben betekend.
Dat dergelijke verworvenheden vandaag onder druk staan, bewijst niet dat er ‘onvoldoende’ is gedacht, maar veeleer dat de verhouding tussen denken en maatschappelijke werkelijkheid geen lineair of afdwingbaar karakter heeft.
Tegen deze achtergrond doet de editorialist beroep op het denken van Adorno, maar niet nadat eerst Heidegger is opgevoerd. De wijze waarop dat gebeurt, verdient overigens zelf een korte bedenking. Heideggers uitspraak dat wij ‘nog niet denken’ verwijst niet naar een tekort aan intellectuele inspanning, maar naar een fundamentele kritiek op het moderne, berekenende denken. Heidegger bedoelt met ‘niet denken’ niet een gebrek aan ideeën, maar een onvermogen om zich te verhouden tot wat zich aan het berekenende denken onttrekt. Door het citaat te gebruiken als retorische opstap naar een oproep tot ‘beter denken’, wordt Heideggers fundamentele kritiek op het berekenende denken verschoven naar het niveau van een oproep tot intellectuele verbetering.
Dat vervolgens Adorno als correctief wordt ingevoerd, is veelzeggend. Alsof het westerse denken eerst door Heidegger heen moet om zich daarna, via Adorno, moreel te zuiveren. Maar wie de complexe verhouding tussen Adorno en Heidegger kent, weet dat ook hier geen eenvoudige oplossing voorhanden is.
Ter ondersteuning van zijn betoog citeert de editorialist vervolgens uit Negative Dialektik (1966) een passage die deel uitmaakt van Adorno’s kritiek op de naoorlogse heropleving van ontologie, met name in Heideggers seinsdenken. Adorno analyseert de wijze waarop het ontologische denken, in zijn streven naar zuiverheid en zelfgenoegzame geslotenheid, dreigt te verstarren. Het citaat sluit aan op een passage waar het grammaticale en conceptuele onderwerp ‘de ontologie’ is. Wanneer hij schrijft dat wat zich daarin toont niet zozeer mystieke meditatie is als wel de nood van een denken dat zijn andersheid zoekt, verwijst dat ‘daarin’ naar de zelfinsluiting en ritualisering van de ontologie. Het verwijst niet naar een algemeen menselijk verlangen naar begrip, zoals de editorialist stelt.
Bij Adorno gaat het helemaal niet over een oproep tot beter denken, noch over maatschappelijk ingrijpen of morele optimalisering. Adorno analyseert de interne dynamiek van de ontologie zelf: de angst van het begrip om in de confrontatie met het niet-identieke zijn eigen aanspraken te verliezen, en de tendens van de filosofie om uit die angst te verstarren tot een ritueel gebaar.
De lezing van de editorialist doet het analyseniveau subtiel maar beslissend verschuiven. Een immanente kritiek van een filosofische vorm wordt zo een antropologische observatie, en van daaruit een programmatische oproep om ‘beter te denken’. De negatieve diagnose wordt aldus omgebogen tot een motiverend gebaar.
De overgang in het editoriaal is veelzeggend. Waar Adorno schrijft dat in het verstommen van de filosofie ‘ook iets waars’ roert, volgt onmiddellijk de stelling van de editorialist dat het denken ‘stopt noch verstomt’. Wat bij Adorno verschijnt als een moment van waarheid – een terughoudendheid tegenover het niet-identieke, een weigering om het andere onder het begrip te subsumeren – wordt hier impliciet hernomen als een tekort dat overwonnen moet worden. Bij Adorno is verstommen geen tekort maar een dialectisch moment. Voor de editorialist wordt het een te vermijden toestand.
Bij Adorno impliceert het verstommen een vorm van conceptuele bescheidenheid: denken dat zijn grenzen erkent en zich niet onmiddellijk in culturele productie vertaalt. Het editoriaal daarentegen koppelt denken direct aan interventie, aan lezen als voorbereiding, aan essays als bijdragen tot een beter leven. Dat is geen detailverschil, maar een andere denkethiek. Deze programmatische inschakeling van Adorno’s denken gaat gepaard met een instrumentalisering van kunst en cultuur, die hier vooral als ‘brandstof voor het denken’ worden opgevoerd – alsof hun waarde afhangt van hun bijdrage aan een intellectueel project, en niet van hun eigen logica.
In zijn oorspronkelijke context articuleert het citaat niet de volharding van het denken, maar zijn verlamming; niet de belofte van een beter leven, maar de spanning tussen denken en zijn eigen onmogelijkheid.
Daarmee staat niet de maatschappelijke inzet van het denken ter discussie, maar wel de programmatische inschakeling van Adorno’s ontologiekritiek. Indien Adorno’s woorden hun volle gewicht behouden, bevestigen zij niet het programma van ‘beter denken voor een beter leven’. Zij werpen eerder twijfel op over de vanzelfsprekendheid waarmee zo’n programma kan worden geformuleerd. In die zin dreigt het editoriaal precies dat te doen wat Adorno analyseert: de filosofische spanning omvormen tot een geruststellend gebaar.
De crisis waarin de westerse democratieën zich bevinden, is wellicht eerder gelinkt aan ‘gebrekkig lezen’ dan aan ‘gebrekkig denken’. Door een lezing die het ontologische niveau verschuift, ontneemt de editorialist het denken van Adorno zijn interne weerstand en neutraliseert zo zijn kritische spanning. Dat is niet zonder ironie.
Een volgende interventie zal de redactionele en institutionele context analyseren waarin deze reactie niet werd opgenomen.
Geselecteerde context en bibliografie
- Geselecteerde publicaties van Christophe Van Gerrewey.
- Relevante verwijzingen naar De Witte Raaf.
- Redactionele noot van Interstice.